1 Panorama '60 (32)
2 Panorama '60 (33)
3 Panorama '60 (34)
4 Panorama '60 (35)
|

De originele foto’s, door de schrijver genomen, waren kwalitatief niet goed genoeg voor publikatie in Panorama.
Daarom is een nieuwe reeks opnamen door onze fotograaf vervaardigd op een oude mijnenveger van de marine. De afgebeelde personen
zijn de echte figuren uit het verhaal.
De grap begon op een fraaie juli-ochtend op De Kaag, toen mijn vriend Peter Schilperoort (in dagelijkse doen de leider van het Dutch Swing College) mijn zomerverblijf binnenstoof met de kreet: "Van der Heide! Je kunt een motorjacht kopen! Achttien meter lang en met zes kajuiten. Voor zeventienhonderd gulden!"
Ik werd wat knorrig wakker, want het was de vorige avond laat geweest. Het is een van de weinige voordelen van mijn beroep (ik schrijf boeken voor de kost) dat je geen baas hebt en derhalve kunt opstaan wanneer je wilt.
"Hóé lang is het, zei je?"
"Achttien meter lang, man. Met twee motoren. En zes kajuiten. Het ligt momenteel in België. "
"Zeventienhonderd gulden?"
"Zeventienhonderd, ja. Een habbekrats. "
"Waar moet ik zeventienhonderd gulden vandaan halen?"
"Die geeft je uitgever je wel. Als voorschot. "
Jazzmusici denken altijd dat lieden die van boekenschrijven leven hun geld spelenderwijs verdienen. Waarschijnlijk omdat ze het zelf zo doen. Ik keerde me om en wilde weer gaan slapen, maar daar was ik natuurlijk niet mee klaar. Schilperoort begon aan me te schudden: "Hei — jij wou toch een schip hebben?" Dat was volkomen waar. Ik had enige tijd tevoren te kennen gegeven, dat ik een schip wilde kopen — een gróót schip — liefst voor weinig geld, om daarop ongestoord te kunnen wonen en werken. Nu hád Schilperoort een schip ontdekt. Een gróót schip. Voor onwaarschijnlijk weinig geld. En het scheen hem te grieven, dat ik hem niet terstond om de muzikale hals viel. Hij schudde mij bij armen en benen: "Luister, man. Ik heb persoonlijk de vent van de Maia gesproken.
Ik hief het hoofd wat op: "Vent van de wie?"
"De Maia. Zo heet het schip. "
De Maia," prevelde ik, naar sigaretten tastend, Mijn vriend de musicus gaf mij gretig vuur. Een avontuurlijk licht scheen uit zijn anders zo culturele ogen, die doorgaans slechts vonken bij het praten over Roelof Stalknecht of het ontwaren van een speciaal decoratief meisje op een dansvloer. Mijn brein begon langzaam op gang te komen. Ik kon alweer een beetje rekenen. "Dat is... bijna honderd gulden de meter?"
"Eh... inderdaad," zei mijn vriend de musicus wat verbijsterd.
Ik ging nu geheel en al rechtop zitten. "Jongetje Schilperoort, luister. Ik kom uit een Groningse scheepsbouwersfamilie. Mijn moeder is een echte Bodewes. Een motorschip van achttien meter lang kán geen zeventienhonderd gulden kosten, tenzij het ergens op een bodem ligt, volgegroeid met mosselen."
Schilperoort begon bijna te wenen van ongeduld: "Doe toch niet zo vakmanachtig. Er is te koop het dubbelschroefmotorjacht Maia, liggend in België, compleet met ganse inventaris.
Ik staarde hem verbijsterd aan:
"Een inventaris óók nog? Waaruit bestaat die dan? Ratten?"
"Flessegasinstallatie voor koken en licht. Lampen, stoelen, tafels, motoren, kompassen, ankers, seinvlaggen..."
"Loef en lij er ook bij?"
"Geheel vaarklaar."
Ik keek naar de ochtendpost op de gangmat. Een nota van de tandarts. Een verwijt van de jeneverboer. Een rekening voor het inenten van een Siamese kat. Een maning van de belastingen. Alles leek heel normaal.
"Iemand is er gek," verklaarde ik. "Maar ik ga met je mee, al was het alleen maar om uit te vissen waar ergens het valluik zit in die legendarische transactie."
Schilperoort was al bij de deur:
"Kom dan gauw. De kapitein en ik zitten in de Vergulde Vos wat te drinken.
Ik schrok enorm: "De kapitein! ? Heeft het schip een bemanning die ik moet voeden... kleden..."
Nee, ezel. Het is een kapitein van het voormalige Nederlands-Indische leger. Gepensioneerd. Beukenhof heet hij. Hij heeft al die jaren op de Maia gewoond en wil er nou af."
"En waarom wil hij eraf?"
"Hij wordt te oud. Dat is alles."
Ik stak mijn hoofd onder de kraan. Het water was lauw. Zomerlauw. Buiten laaide de julizon.
De overjarige en ietwat verwaarloosde kapitein Beukenhof zat op het zonverlichte terras van de Vergulde Vos en bevestigde, tot mijn verbazing, alles wat mijn vriend Schilperoort had verteld. Het verhaal begon nu een Walt-Disney-achtige mengeling van fantasie en mogelijkheid te worden.
"Wat is het voor een soort schip, kapitein?"
Hij maakte een breed gebaar met een krijgshaftige hand.
"Noem mij gewoon ome Thijs. Zo kennen ze mij van Luik tot Amsterdam. Het is een gewezen oorlogsschip van de Duitsers, als herstelbetaling aan België gegeven..."
"Hal" riep ik. "Een torpedoboot uit de oorlog! Een MTB?"
Ome Thijs schrok een beetje: "Hoho. Niet deze oorlog. De vorige."
Het was eventjes intens stil. Toen zei ik, na twee keer slikken: "O. Dus hij is zowat even oud als ik."
"Maar u ziet er nog heel goed uit," verzekerde ome Thijs.
"Dank u," zei ik, met een erkentelijke buiging.
"Het is geen luxeschip om te zien. Maar je zult er heus niet mee zinken."
Ik drukte mijn erkentelijkheid hierover uit. "Is er kans dat de motoren nog draaien?"
Ome Thijs begon verontwaardigd te sputteren: "De motoren zijn het beste aan het hele schip! Het zijn twee 80 PK Lloyd Hanomagmotoren met dubbele ontsteking en Boschmagneten."
"Lieve help... benzinemotoren. Wat verbruiken die per mijl?"
Na enig geharrewar bleek dat zij tezamen de Maia voortstuwden met achttien kilometer per uur, bij een verbruik van zestig liter per stuk, per uur. Zelfs Schilperoort, die anders voor geen kleintje vervaard is, schrok hiervan.
Dat is honderdtwintig liter benzine om achttien kilometer vooruit te komen?"
"Tja," zei ome Thijs filosofisch. "Een buitenboordje is natuurlijk goedkoper."
Maar Schilperoorts geestdrift was niet te blussen. "Een ex-oorlogsschip!" prevelde hij, met een werktuigkundig licht in de ogen. "Is er nog een kanon bij?"
"Dat is eraf gehaald toen het werd omgebouwd tot jacht. Ik ben er, enkele malen op eigen kracht mee heen en terug naar Nederland geweest. En ik blijf nu verder hier wonen."
Eén vraag moest mij nog van het hart: "Waarom hebt u het dan niet in België verkocht vóór u definitief naar Nederland kwam?"
"Omdat," vertelde ome Thijs opgewekt, "niemand in België het hebben wou."
Mijn hart zonk met een plof in de schoenen. "Ikke... ik moet er eerst eens over nadenken," bracht ik met enige moeite uit en ging een eindje verder langs de waterkant zitten staren. Schilperoort kwam me achterna.
"Omdat niemand in België het hebben wou," herhaalde ik bitter zodra ik mijn emotie de baas was. "Ik ben je erkentelijk, geniale vriend Schilperoort, voor je welgemeende poging om mij te helpen aan een groot en goedkoop schip... maar ik vrees dat wij met Maia en al borrelend ten onder gaan op de Hont of Westerschelde omdat de motoren door de kiel zijgen of omdat de boeg eruit valt."
Schilperoort keek mij misprijzend aan: "Ben jíj een vent? Schrijft avonturenboeken en durft zelf niets te wagen. Is dát de geest die Nederland uit de puinhopen heeft doen herrijzen? Alleen de inventaris, bovendien, is de koopprijs al waard."
"Mogelijk," erkende ik. "Maar ik ben geen diepzeeduiker. Dus ik heb bitter "weinig aan een inventaris, hoe compleet ook, op de bodem van het Hollands Diep."
(Wat natuurlijk niet wegnam dat die schampere opmerking over auteurs die over avonturen schrijven maar er zelf geen aandurven, me dwars zat. Zo iets néém je niet). Na een klein halfuur stonden we samen weer bij de tafel van ome Thijs.
"Ik koop uw schip en we gaan het samen halen," sprak ik. "Schilperoort en ik."
Schilperoort klom in zijn auto om een vel gezegeld papier te gaan halen voor de koopovereenkomst. Ome Thijs boog zich vertrouwelijk over zijn verse borrel: "Ik zal je enkele aanwijzingen geven, die je onderweg van pas kunnen komen."
En daar en dan kreeg ik de meest verbijsterende reeks van vaartaanwijzingen die ooit bij enig schip kunnen hebben gehoord. Zoals:
- Draai het stuurwiel niet te veel stuurboord bij achteruit varen, anders loopt de roertalie uit het stuurwielkamrad en wordt je schip stuurloos.
- De bakboordsbenzinetank is schoon maar lekt een beetje als je er meer ingiet dan honderd liter. De stuurboordstank bevat een stukje pannespons dat er nooit is uitgevist en soms ineens de benzineleiding afsluit.
- Als het regent is de enige droge kooi die in de achterste kajuit; bakboord.
- Als de bakboordsmotor loopt is het kompas niet betrouwbaar, want de schakelleiding naar de motoren loopt er vlak langs.
- Als het schip volle kracht op beide motoren gaat varen, moeten alle kajuitsdeuren openstaan, anders klemmen ze en zit iedereen opgesloten tot de machines op "dead slow" worden gezet...
Ik hield op met noteren toen ik zes oude enveloppen had volgeschreven en keek wat verdwaasd op:" Dat de Duitsers geen zeevarende natie bij uitstek zijn, was mij bekend," verklaarde ik.
"Is dit schip een van de oorzaken waarom zij in 1918 verloren, of zijn die euvelen later ontstaan?"
Het contract
Op dat moment kwam Schilperoort op ons af met een slingerende zeemans gang, wuivend met een stuk gezegeld contractpapier. Het was nu te laat om met fatsoen terug te krabbelen. Wij maakten het koopcontract op. Ik had de sensatie van iemand die door een klassieke noodlotsstroming wordt meegevoerd. Schilperoort legde mijn vingers om een vulpen. Het was een ouderwets ding, eigendom van ome Thijs. Ik staarde naar de pen en dan naar ome Thijs.
"Als ik deze pen opneem, moet ik dan ook iets bijzonders doen?"
"Eerst even mee slaan als met een koortsthermometer en dan ondersteboven mee schrijven," wees ome Thijs. Ik deed het. De pen schreef perfect mijn naam onder het contract,
Ome Thijs keek me stralend aan. "Al die dingen zijn maar een weet, zei hij. "Net als met mijn schip."
De volgende dag verkocht ik twee ongeschreven boeken aan twee uitgevers. Zij verstrekten mij elk éénduizend gulden voorschot. Ik betaalde ome Thijs zeventien bankjes van honderd en toen de aankoop was gevierd, hadden we nog een kleine honderdvijftig gulden over. Maar wij brandden natuurlijk van nieuwsgierigheid om Het Schip te bezien, klommen dus in Schilperoorts auto en reden spoorslags naar België.
De Maia lag in Humbeek: een plaatsje aan het kanaal Brussel-Antwerpen. Op deze plaats kabbelt dit kanaal enkele honderden meters ver tussen twee gemetselde kademuren, waarop een borstwering van een meter hoogte, waarop steeds enkele Humbekenaren zitten te vissen. Schilperoort (die tevens Delfts werktuigkundig ingenieur is) wilde terstond de motoren bekijken en laten lopen. Ik ging dus de dorpssmid halen, die (volgens ome Thijs) alles van de motoren, de kranen en de leidingen af wist. De Humbeekse dorpssmid was bezig met een voorhamer een zwaard om te smeden tot een ploegschaar, maar nauwelijks had hij vernomen dat ik de Maia had gekocht en wilde laten varen, of hij wierp zijn hamer neer, luidde een bel en brulde om zijn zoons. Het waren twee typische, potige, vlasblonde Vlaamse zoons en zij kwamen in gestrekte draf, tussen hun vingers hoefijzers en stukken gaspijp krombuigend.
"De Maia moet seffens lopen!" kreet de smid. Haal de tangen! Denk aan de hamers!
De zoons hieven de Vlaamse Leeuw aan, renden weg en dertig tellen later draafden de smid en zijn zoons de kade op, beladen met hamers, moersleutels en koevoeten. Ik kreeg de indruk dat deze drie Humbeekse smeden werk aan de Maia beschouwden als een soort van montagejool; een welkome afleiding in hun eentonig bestaan van koevoeten beslaan en paardehoofdstellen aan de muur lassen. Zij tilden het machinekamerluik op en waren in de donkere diepte verdwenen nog vóór ik zelf aan boord was. Schilperoort en ik wrongen ons eveneens in de ruimte die nog over was, maar de smeden letten niet op ons, tilden wat stalen bodemplaten op en begonnen op kranen en buizen te slaan dat de mast ervan sidderde. Mijn vriend, nu in zijn functie van werktuigkundig ingenieur, begon wat gevatte technische vragen te stellen, maar u moet als Delfts ingenieur eens proberen met een Vlaamse hoefsmid in sappig Vlaams een op academisch peil staand gesprek te voeren over Engelse driewegkranen, keilbouten,
hartkleppen, aanzuigfilters en naadloze stalen pijp. Ik zocht vrij snel mijn heil in de staminee. Over de kade echode het daverend geweld der drie dolle technici.
Na een half uur kwam ingenieur Schilperoort me opzoeken. "Zo meteen slaan die Vlaamse Leeuwen je hele schip tot schroot. "
"Och," zei ik vergoelijkend, "ze slaan vermoedelijk een paar nieuwe krukken in de assen of zo."
Benzine nodig
Na een korte opflakkering van gehamer kwam de smid de staminee binnen. Zijn schootsvel zat onder de staalsplinters en stukken bougie hingen in zijn haren. "We motten benzien hemme, zunne?" verklaarde hij gekwetst. "Zonder benzien kan den moteur niet marcheren, zunne?"
Dat waren we volkomen met hem eens. "Hij heeft toch wel verstand van motoren," zei Schilperoort getroffen. Wij kochten een paar jerrycans benzine voor hem en hij draafde er opgetogen mee weg. Wij gingen ook terug naar de Maia en loerden over de rand van het machinekamerluik. De smeden lagen op hun rug, schroefden pijpen los, slierden hun haren door plassen carterolie en hadden veel pret.
"Ik ga beneden kijken," zei Schilperoort vastberaden. "Ik vertrouw het niks."
Ik ging een eindje omwandelen en kwam een half uur later terug, juist op tijd om de werktuigkundig ingenieur-musicus uit het luik te zien opdoemen. Hij had een verwilderde blik in de ogen en zelfs zijn oren zaten onder de olie.
"Heb je kunnen zien wat ze met die motoren uitvoeren?" informeerde ik.
Schilperoort ging over de reling hangen en staarde dof in het water.
"Ze bouwen ze om tot stoommachines," zei hij ten laatste. "Heb jij enig idéé hoelang je deze Vlaamse ijzerhouwers nog met hun goedendags in je machinekamer wilt laten ravotten?"
"Morgenochtend nog," antwoordde ik zeer beslist. "Lopen morgenmiddag om vier uur de motoren niet, dan gaan we weg en komen later terug om het geval naar Nederland te laten slepen. Daar weten ze meer van schepen af dan hier."
"Als er morgen nog een herkenbaar schip is, tenminste," mompelde de ingenieur zwartgallig. "Die motoren zagen er daarnet al veel platter uit dan een paar uur geleden."
De smeden, plus een aankomend smidje, werkten bij het licht van looplampen tot half negen. Toen, moegespeeld en moegezongen, kwamen ze me opgetogen vertellen dat de stuurboordsmotor niet zou lopen. De pijpen van de watercirculatie waren, door een zijdelingse aanvaring van een passerend schip, reddeloos gebarsten. Op de bakboordsmotor gaven ze me echter goede hoop. De gummikabels werden ingehaald. De toeschouwers klommen van de kademuren af en de smeden gingen eten en slapen. Ze beloofden echter de volgende ochtend vroeg bij de hand te zullen zijn met geheel nieuw gereedschap. Schilperoort en ik reden naar Brussel en gingen daar vertier zoeken. Hij had gelukkig zijn klarinet meegenomen, dus hij blies zonder veel moeite in een stel gezellige kroegjes onze verteringen bij elkaar.
Paniek
De volgende middag, te half drie, sloeg de bakboordsmotor onverwacht aan. Het schip had echter gietijzeren uitlaatpijpen die vlak achter het stuurhuis in de open lucht uitmondden en ome Thijs had in die openingen proppen vette lappen gestopt tegen de regen. Dat had hij me vergeten te zeggen. De uitlaat scheurde dus open en een flink stuk ervan vloog met een keurige boog honderdvijftig meter ver het kanaal over. De Humbeekse bevolking vluchtte in paniek. Vier gendarmes holden de politiepost uit en vader smid, die ijlings de machinekamertrap opstoof om bij de gashandels te komen, gleed uit en verstuikte een enkel. De bakboordsmotor stopte. Daarna liep zij niet weer. Twee smeden, Schilperoort, een gendarme en ik zelf stonden om half zes nog zwetend dat monster van een motor rond te zwengelen. Er kwam geen explosie meer uit.
"Hou maar op," zei Schilperoort. "Er zit vocht in de magneten."
Ik hakte de knoop door: "We gaan terug naar Nederland. We komen volgende week terug om de Maia op te halen. "
"De rekening is vierentwintighonderddertig franken," zei de smid, een voorhamer opnemend.
"Wordt de volgende week betaald, als ik het schip ophaal. Ik moet eerst geld halen in Nederland."
Dat scheen iedereen te begrijpen. We sloten het festival, beloofden een nieuwe opvoering met onverwachte attracties voor de volgende week en klommen uitgeput in de auto, Schilperoort trapte op de starter.
"Heb je gezien wat voor stal het daar aan boord is?"
"Ja," zei ik.
"Wou je in die rommel gaan varen?"
"We nemen wat vrouwen mee, jô. Die vinden het heerlijk om op te ruimen."
Schilperoort lachte honend: "Dan mag je de hele vrouwelijke sectie van de Cemsto wel aanmonsteren."
Maar dat was overdreven. We rooiden het zonder de Cemsto — al moest er wel het een en ander overboord.
Peter Schilperoort (midden), kapitein Theis (links) en de smid van Humbeek bij
de motoren van de Maia. Elders namen de andere smeden 't schip onder handen.
|
|