Blauwe lucht
|
Enkele minuten over één op zaterdagmiddag stapten Bob Evers en
Jan Prins op het station van Zürich uit en keken nieuwsgierig rond.
"Ik voel me bijna weer thuis," zei Jan verbaasd.
Bob Evers begreep terstond wat hij bedoelde:
"Lijkt machtig veel op jullie station in Amsterdam, ja. Wat een verschil
met Frankrijk, anders."
"Zeg dat wel," bromde Jan. "Ik heb nog nooit zo'n plotseling
verschil gezien als op het ogenblik dat we de grens tussen Frankrijk en
Zwitserland passeerden, vlak voor Bazel; de éne minuut slordige, vuile
Franse huisjes en boerderijen... vlak daarop dat Zwitserse landschap in helle
kleuren; alles prachtig in de verf, ordelijk en zindelijk."
Bob gespte zijn rugzak om; een doos spoortreinen rechtop tussen zijn knieen
geklemd.
"Het meest heb ik gelachen in Bazel... mét dat de trein stopte
die rij kerels die op ons afstoof en de trein van buiten begon schoon te wassen
met bezems en boenders. Of ze zelfs het stof van Frankrijk niet op hun schone,
Bazelse station wilden hebben.
De jongens wandelden langzaam naar de uitgang toe. Het station in Zürich is,
evenals Amsterdam-Centraal, een lange reeks sporen en perrons, onder een geweldige
overkapping. Dat is de grote overeenkomst tussen Amsterdam, Antwerpen-Keizerlei en
Zürich. Maar Antwerpen en Amsterdam hebben prachtige wachtkamers; die van
Antwerpen is een pronkjuweel van stemmigheid en architectuur. Zürich daarentegen,
in tegenstelling weer tot Bazel (dat een uitstekende serie wachtkamers heeft),
presteert niets meer dan een lange, rommelige soort van kantine, met kale tafels en
een enorm buffet, waarin bediend wordt door vermoeid uitziende Duits-Zwitserse meisjes,
die niet eens kans zien, de tafeltjes schoon te houden. De wachtkamer in Zürich is
waarschijnlijk de enige morsige openbare gelegenheid in gans Zwitserland en Jan en
Bob stonden er dan ook even verbaasd rond te kijken toen zij er binnen kwamen.
"Het lijkt hier warempel wel een bootwerkers-kantine," zei Jan. "Of
iets van het Leger des Heils. Niets voor dat keurige Zwitserland."
In de enorme ruimte zaten honderden arbeiders met grauwe zakken, lompe schoenen en
baarden van drie of vier dagen, aan kale tafels vol wijnringen. De meesten hadden
glazen wijn voor zich staan, anderen slap uitziende koffie. Sommigen lagen te
slapen met hun hoofden op hun armen; anderen hingen vér achterover in
stoelen die op hun achterpoten leunden en er uit zagen of zij alk moment met een
klap achterover konden slaan. De ruimte was vervuld van een enorm geroezemoes van luid
gepraat, waar doorheen een constant gekletter van vaatwerk en het schrille gerinkel
van schellen klonk.
"Tja," zie Bob peinzend, "moet eigenlijk niet een van ons hier de
wacht houden om te controleren of Mark van Vliet soms met een volgende D-trein nakomt?"
"Als-ie niet een trein vóór ons gegaan is," zei Jan somber. "De
Bolle zei toch dat zijn chef in Zürich zat?"
Bob kauwde op zijn onderlip en zakte neer op een stoel aan een lange tafel waaraan twee
nors uitziende mannen zaten die pijpen rookten en zwijgend door de ruimte staarden.
"Nee... zó zei hij het niet. De Bolle moest het aan zijn chef in Zürich
vragen. Dat kan zowel betekenen dat Van Vliet er al was of nog moest komen. En wie zegt
dat Van Vliet zijn chef is? Hij kan daarmee best een ander bedoelen."
Een dienster met een morsige, witte schort voor en een blad boordevol met logge, lege
glazen, kwam in volle vaart langs hun tafeltje, remde af en vroeg in zangerig Zwitsers-Duits:
"Sie wünschen?"
"Zwei Kaffee," bestelde Jan. "Luister, Bob. De eerste uren komt er
tóch geen trein uit Parijs of Brussel binnen. Laten we die tijd nuttig
maken en eens de gevel van die speelgoedfabriek gaan bekijken. Het adres vinden we wel
in een telefoongids."
"Top," zei Bob. "Ik ga nog liever de inzittenden van alle passerende
trams tellen dan dat ik hier blijf zitten "Wachtje am Rhein" spelen."
Op dat ogenblik kwam hun koffie. Zij namen elk een slok, keken elkaar ontsteld aan,
zetten ijlings hun koppen neer, betaalden en maakten dat zij weg kwamen.
"Grote Patrijs!" zei Jan ontsteld. "Die koffie is slechter dan wat
ik ooit in Holland heb gedronken - de oorlog niet meegeteld dan. Ik hoop dat dit geen
staaltje is van wat Zwitserland ons biedt."
"Klets niet," bromde Bob, hijgend onder het gewicht van een rugzak en twee
zware dozen spoortreinen. "Waar is hier ergens een telefooncel?"
|
|